
Liefde, het lijdend voorwerp van vele boeken, liedjes en gedichten.
Ik kan verdomme niet even naar de supermarkt om de hoek of ik word ermee geconfronteerd.
Want ja, liefde is waarvoor de mens leeft.
Op de één of andere manier storten we ons steeds weer in nieuwe relaties, verpanden we ons hart weer en geven we de chemische stofjes toestemming om vrijuit door ons lichaam te razen zijnde het TT assen.
Maar wat we iedere keer lijken te vergeten, is hoe afschuwelijk het mis kan gaan. Zo naar, dagelijkse ruzies om niets, sexloze huwelijken, een liefde die passioneel begint en die uitgroeit tot een broer-zus relatie, het hekele onderwerp monogamie waarmee velen de mist ingaan enz.
God, en dan is het uit. Janken, tegen iedereen aanzeuren, zuipen, in een boze bui dramatisch alles wegpleuren wat je aan de ander herinnert. En vaak nog lange tijd de gemene steken die je voelt als je denkt aan wat is geweest. Iedere verbroken relatie is een flinke kras op je roze bril tot je geen kut meer ziet, en uiteindelijk wordt het moeilijk nog te geloven in echte, ongecompliceerde liefde.
Wekenlang verafschuw je alle romantische nummers die je voorbij hoort komen, ga je bijna over je nek als je een verliefd stel ziet.
Tot dat moment. Het moment waarop er zonder dat je het door had iemand ineens een stiekem plaatsje heeft ingenomen in je gedachten. Je glimlacht schaapachtig bij een nieuw smsje, lovesongs krijgen weer betekenis en ’s avonds voordat je in een droom wegvalt denk je aan wat zou kunnen zijn.
Wat het precies is, weet je niet. Maar van de week bel ik mijn opticien voor een nieuwe bril. Knalroze graag.





